Over God | Etienne Vermeersch

‘De God-Vader heeft zich in zijn ‘Openbaringen’ zwaar vergist; ofwel is hij niet echt liefdevol; ofwel heeft hij niet de almacht die de godsdiensten hem altijd hebben toegeschreven. Dus bestaat de ‘Vader’ zoals de godsdiensten hen voor ogen hebben, zeker niet.’

16,90

Beschikbaar via nabestelling

Artikelnummer: 9789460014703 Categorieën: , , Tags: , , ,

Beschrijving

Christenen geloven dat God almachtig en liefdadig is. Toch is er lijden en kwaad in de wereld. De god van het christendom is dus almachtig noch oneindig goed.
Met een onontkoombare overtuigingskracht toont Etienne Vermeersch aan dat we het bestaan van de god van het christendom niet alleen om principiële redenen, maar ook op grond van ‘zijn Openbaring’ zowel op rationele als op ethische gronden niet kunnen aannemen.
Alles wat positief is in de wereld en in de Bijbel kunnen we op een wetenschappelijke, ‘naturalistische’ wijze verklaren, zonder op het bestaan van een god een beroep te moeten doen. Alles wat negatief is, wordt, als we in de leiding en inspiratie van een goede, wijze en almachtige god geloven, volkomen onbegrijpelijk en absurd.
Etienne Vermeersch toont heel helder aan dat hetzelfde trouwens geldt voor de god van de islam en ‘zijn Openbaring’ in de Koran.

Over God, door de mens

Gepubliceerd op 30 November 2016
Auteur: Koenraad Elst

Het boek Over God geeft de lezer beknopt maar vrij volledig het rationele argument betreffende God tegenover de gelovige christen. Het gaat over specifiek het christelijke godsbeeld; andere godsbeelden vergen een aangepaste behandeling. Men zou God ook bijvoorbeeld als onpersoonlijk kunnen opvatten, zoals in het modieuze “ietsisme” (“spiritueel maar niet religieus”), maar dat vergt dan vanwege de skepticus een andere tegenargumentatie. Het onderwerp wordt ook beperkt tot het geloof in God: het gaat niet over het geloof in de zondeval, de incarnatie, de verrijzenis, de heilbrengende kracht van die verrijzenis tegenover ’s mensen zondigheid, en nog minder over gemakkelijke klassiekers als de maagdelijke geboorte.

Ex-katholiek

Om zijn onderwerp preciezer te situeren, vertelt Etienne Vermeersch in het kort zijn eigen levensverhaal en met name zijn evoluerende verhouding tot God. Of althans: tot het godsgeloof. Van kleins af aan werd hij, zoals zovele Vlamingen van die generatie, in het geloof en de bijbehorende levenshouding gekneed. Ongemeen ernstig en weetgierig, trad hij in bij de jezuïeten, de intellectuele voorhoede van de Kerk. Ach, menige heiligverklaarde had hem kunnen vertellen dat het intellect des duivels is: het leidt tot hoogmoed, twijfel en tenslotte verlies van het geloof. En zo geschiedde: hij trad uit. De brede én grondige vorming die hij opgedaan had, bezorgde de “omgevallen jezuïet” later zijn bekende strenge redeneertrant, die vele voor logica gevoelige tegenstanders intimideert maar bij échte gelovigen slechts als des duivels geldt.

Sommige ex-katholieken geven blijk van een levenslang trauma of obsessie met Kerk en geloof. Dat geldt niet zichtbaar voor Vermeersch, die heel respectvol met katholieken omgaat, zie zijn tv-gesprek met toenmalig aartsbisschop Léonard. Om destijds de gevoelens van zijn diepgelovige moeder te ontzien, hield hij zijn omslag naar een beginselvast atheïsme zelfs nog een wijl onder de korenmaat. Ook in dit boek doet hij niet kleinerend over katholieken en hij laat hen uitdrukkelijk vrij om zijn gevolgtrekkingen wel of niet ter harte te nemen.

Het godsbeeld dat hij hier aanvalt, is dat wat beschreven staat in de Bijbel en beleden wordt in de officiële leer van de Kerk. Schokkendst wellicht is dat Jahweh er noch min noch meer de volledige genocide beveelt op de Kanaänieten, de inheemse bewoners van het Beloofde Land. Hij bestraft zelfs wie niet grondig genoeg aan het moorden slaat, met name de twijfelende koning Saul. Bij katholieken zijn de gore passages in het Oude Testament minder goed bekend: Abbé Pierre getuigde ooit dat hij pas op het einde van zijn priesterstudies deze episodes uit de Bijbel ontdekte.

Om zich van dat barbaarse godsbeeld te ontdoen, stelde Kerkvader Marcion voor om het Oude Testament uit de Bijbel te weren, maar de Kerk besliste het anders: centrale begrippen uit het Nieuwe Testament als “zondeval” (en dus ”verlossing”), “verbond” en “messias” hadden immers maar zin dankzij het Oude. Maar daaruit volgt dat katholieken zich dus ook de erfenis van Jahwehs wandaden toeëigenen. En af en toe heeft die minder bekende (en door Paulus opgeheven) “wet van Mozes” toch nog een rol gespeeld. Men kan bv. de heksenbrandstapels uit de Renaissance moeilijk los zien van de Oudtestamentische gebod om “niet te dulden dat een heks in leven blijft”. Had Jahweh dan niet voorzien dat zijn gebod voor zulke massamoord zou gebruikt worden? Of was dat juist wat Hij wilde?

Slavernij

Het Nieuwe Testament is minder goor en God de Vader minder koleriek, maar toch geen wezenlijke verbetering. Vermeersch wijst er terecht op dat de instelling van de slavernij nog steeds gehandhaafd wordt: “Slaven, gehoorzaamt uw meesters”. En het is echt huichelachtige tsjevenpraat om de slaven als troostprijs mee te geven dat ze “bevrijd zijn in Christus”. In de 19de eeuw beriepen verdedigers van de slavernij zich dan ook op de Bijbel.

In tegenstelling met de Bijbelvaste protestanten hebben de katholieken wel een soort uitvlucht uit de Schrift: het voortschrijdend inzicht dat, buiten de kerkelijke kanalen om, het abolitionisme ingang heeft doen vinden tegen de Bijbelse voorschriften in, kan gerechtvaardigd worden als “werking van de Heilige Geest”. Normaal gebeurt die werking via de hiërarchie van de Kerk. Die is immers niet gebonden door “alleen de Schrift”, maar ziet zichzelf ook als werktuig van het heilsplan: de concilievaders die de niet door de Bijbel voorziene leerstukken bedenken en goedkeuren, worden geacht door de Heilige Geest geïnspireerd te zijn. Net zoals toen zij kozen welke boeken wel of niet tot de Schrift zouden behoren. (De Heilige Geest is dus van gedacht veranderd, want de eerste christenen hebben teksten gecanoniseerd die vandaag niet meer aanvaard zouden worden.)

Het was nochtans niet de Kerk van Rome die ertoe besloot, de slavernij af te schaffen, wel een Bijbelvaste “ketter”, de Britse politicus William Wilberforce. Latere afschaffers van de slavernij, zoals Abraham Lincoln en Léopold II (jawel), voltooiden slechts een beweging die door Wilberforce op de wereldkaart gezet was. De Britse buitenlandpolitiek wist zelfs onwillige moslimstaten als het Mogol- en Ottomaanse rijk tot afschaffing te dwingen.

Wilberforce, tevens een groot promotor van de zending, was echt wel een gelovige, maar wist de “letter” van de minder mooie Bijbelteksten buiten werking te stellen door uit de mooiere passages een op menselijke waardigheid gerichte “geest” te puren. Fraai als uitleg, en heel christelijk sedert Paulus tegenover het wettische jodendom de suprematie van geest boven letter beklemtoonde. Waarlijk een model voor al die “progressieve christenen” die omwille van de tijdsgeest de geboden uit hun Schrift of Traditie tussen haakjes willen plaatsen. Helaas voor hen is daar Vermeersch die hen erop wijst dat hun progressieve inzichten nu eenmaal onweerlegbaar van andere dan Bijbelse oorsprong zijn.

Er is weinig gevaar voor dat christenen, eens aan zichzelf overgelaten, de slavernij weer zullen invoeren. De leiband van de Schrift is in het christendom duidelijk langer, dus laat meer vrije beslissing toe, dan in de islam, die de afschaffing van de slavernij nooit van harte aanvaard heeft en haar bij een opflakkering van wetsgetrouwheid (de Islamitische Staat) weder invoert. Maar nog altijd geldt: voorzover God hier dan toch iets te zeggen heeft, voor zover zijn Woord nog geldt, is dat eenduidig pro slavernij.

Pierewieters

De openbaring van de christelijke God beantwoordt dus niet aan, laat ons zeggen, de Verklaring van de Rechten van de Mens. En nog minder aan nieuwlichterijen als de Diepe Ecologie, die ook aan de dieren en de natuur rechten toekent. God blijkt niet “algoed” te zijn. Integendeel, zelfs zonder de Schrift te raadplegen, kunnen we dagelijks zien dat Hij allerlei kwaad laat gebeuren. En dat gaat niet alleen uit van zondige mensen, van wie je nog zou kunnen zeggen dat God hen nu eenmaal met een vrije wil moest begiftigen. Het geldt ook voor Gods eigen ongecompliceerde schepping, waar overstromingen en aardbevingen in al hun onschuld, recht uit Gods schoot, veel leed veroorzaken.

Nochtans heet God almachtig te zijn. Hij heeft al dat kwaad dus gewild; anders had Hij het kunnen vermijden of stopzetten. Deze simpele logica wekt bij gelovigen vaak hoongelach op: “Jamaar, wij kennen dat argument al eeuwen!” Inderdaad, en al eeuwen is het zonder afdoende gelovige uitleg gebleven. Dat probleem van Gods rechtvaardigheid (theodicee) is het voorwerp van talloze spitsvondigheden, maar geen enkele is er ooit in geslaagd, de contradictie tussen Gods goedheid en Gods almacht, scherp gesteld door de werkelijkheid van het kwaad, op te lossen. God wordt, aldus Vermeersch, alleen vrijgepleit door de omstandigheid dat Hij niet bestaat.

Dat hoongelach is ook nu weer Vermeersch’ deel: talloze gelovigen die zijn rekwisitoor tegen God lezen, spotten dat hij niets begrepen heeft van de recente ontwikkelingen binnen het christendom. Nochtans kan je van een ex-jezuïet, die bovendien als buitenstaander de binnenkerkelijke ontwikkelingen is blijven volgen, verwachten dat hij heel wat meer weet van de kerkelijke leer dan zijn critici. Het probleem is echter dat deze “pierewieters” niet de onveranderlijke Schrift noch de zelden veranderende Kerktraditie volgen, maar wel een eigentijds mengsel, een geloof à la carte. Bijvoorbeeld: de hemel is wel tof om naar uit te zien, maar de hel is wat onsympathiek, zeker als je een niet- of andersgelovige medemens in de ogen moet kijken terwijl je zegt: “”Ik ga naar de hemel, jij gaat naar de hel.” Dus wordt de eigen versie van het christendom eventjes aan de tijdsgeest aangepast: geen hel meer, maar wel nog een hemel. Nochtans is de kerkelijke leer dienaangaande niet gewijzigd, ook niet door de lichtzinnig tijdgeestgevoelige uitspraken ten persoonlijken titel van paus Franciscus.     

Sommigen nemen de vlucht voorwaarts. Zij denken om met een goed klinkende paradox weg te komen, bijvoorbeeld: “God kan niets aan het lijden doen.” Hij is dus niet almachtig, want uit goedheid wil Hij niet dat “het kwaad goede mensen treft”, maar Hij moet net als de mens machteloos toezien dat het toch gebeurt. Het past in een bepaald modern retorisch register van paradoxhoogstandjes zoals: “God heeft de mensen nodig.” Om eens iets positiefs over de islam te zeggen: elke moslim die zijn zaak kent, weet dat God, aannemend dat er zulk een Opperwezen bestaat, als Schepper oneindig veel groter is dan Zijn schepselen, onvergelijkelijk en van een andere orde, namelijk noodzakelijk tegenover contingent, eeuwig tegenover sterfelijk. Dat God de mens zou nodig hebben, is dus wel een verstandkietelende vondst voor tijdens de salonconversatie, maar uiteindelijk gewoon onzin.  

Het is erg grappig wanneer onwetenden superieure airs aannemen tegenover een geleerde. Die “pierewieters” zijn eigenlijk verwende kinderen, die goed willen staan met de modes van de dag maar ook gehecht zijn aan het meegekregen geloof en de bijbehorende identiteit. Zij beseffen de dwingende ernst van de kerkelijke leer gewoon niet en vermijden de keuzes die daaruit volgen. Stat crux dum volvitur terra (“het kruis blijft recht opstaan terwijl de wereld ronddraait”): het is niet omdat de wereld verandert, dat er iets aan het christendom verandert. Als de christelijke leer een leidraad vormt om je gedrag naar te richten, dan moet hij vandaag evengoed als destijds gevolgd worden. En omgekeerd: als de slavernij vandaag fout is, dan was ze dat toen ook, tenminste als de boodschap van Christus voor allen en voor altijd bedoeld is. Je kan natuurlijk zeggen dat het christendom nu eenmaal verandert, maar dan is het slechts van dezelfde orde als andere modes. Dat is niet erg, maar de “progressieve christenen” hebben blijkbaar niet de eerlijkheid om te onderkennen en toe te geven dat ze de leer van Jezus van Nazareth ontrouw geworden zijn.

Besluit

En dat is wat er nu juist zo sterk is aan dit werkje: anders dan de flauwiteiten van het “progressief-christelijk” vertoog, is het een eerlijk boek. Het wordt niet gedreven door wrok en te vereffenen rekeningen, er is geen chantage tegen de gelovigen, die vriendelijk bejegend worden en vrij gelaten in hun keuzes. Het stelt gewoon nuchter vast dat hun godsgeloof onhoudbaar is. Zoals Vermeersch ooit in een vraaggesprek over zijn moeder zei: “Ik zag haar graag, en zij mocht dat geloven, maar zij had nu eenmaal ongelijk.”

Het beste deel van het boek vond ik het overlopen van oudere bronnen die reeds de waarden bevatten die volgens vele christenen juist de unieke bijdrage van hun godsdienst zijn. Zij zeggen dat zelfs de postchristelijke wereld schatplichtig is aan het christendom voor waarden als naastenliefde en individuele waardigheid, en dat schijnbare nieuwlichterijen zoals de notie van mensenrechten (voor de Kerk een steen des aanstoots sinds hun eerste formulering in de Franse Revolutie) eigenlijk uit het christendom voortkomen. Dat, zo toont Vermeersch aan, is een vooroordeel van mensen met een kleine horizon, die naast het christendom niet veel kennen tenzij dat vooraanstaande ex-christenen als Stalin (voormalig orthodox seminarist) en Hitler (formeel katholiek tot het einde, maar die met alle godsdiensten behalve de islam de spot dreef) onmensen waren. Zij schrijven daarom alle deugden aan het christendom toe. Sommige geleerden zeggen dat waarden als mededogen al enkele eeuwen eerder door het boeddhisme gepredikt werden en dat Jezus daar zijn mosterd gehaald heeft, maar men moet het niet eens zo ver zoeken. In het Midden-Oosten zelf, in teksten verduisterd door de hyperfocus op de Bijbel, geven Babyloniërs en Egyptenaren al van in het derde millennium blijk van verantwoordelijkheid voor en betrokkenheid bij de medemens.

Een weetje ter attentie van de auteur. In Britse scholen kan men het vak Hindoeïsme volgen, en de daar gebruikte cursustekst bespreekt de bestaande godsbewijzen alsmede hun weerlegging. Hij erkent zonder meer dat geen enkel van die pogingen ook echt het bestaan van God vermag te bewijzen. Toch wil hij de leerlingen Godsgeloof aanpraten, of liever Godservaring. Hij stelt dat de enige manier om van het bestaan van God overtuigd te geraken, erin bestaat, Hem te ervaren. Nu, ook onder christenen zijn er genoeg die naar eerlijke overtuiging zeggen dat ze Gods bestaan “voelen”,-- wat eigenlijk alleen betekent dat ze het aangeleerde verinwendigd hebben. Maar dat is niet het op Openbaring gebaseerde godsbeeld dat onze Moeder de Heilige Kerk ons leert, en dus stof voor een andere weerlegging. Wij wensen Etienne Vermeersch nog een lang leven toe, zodat hij ons ook met dat boek nog kan verblijden.

Beoordelingen

Er zijn nog geen beoordelingen.

Wees de eerste om “Over God | Etienne Vermeersch” te beoordelen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Boekinformatie

Aantal bladzijden 144
Afwerking Paperback
Uitgever Vrijdag

Andere suggesties…